(13) Uitsloapers

 
 
Ter bevorderingvan eerlijke concurrentieverhoudingen en het waarborgen van redelijke arbeidstijden voor zelfstandige ondernemers bestond de Winkelwet van 1930, ”zodat zij op aanvaardbare wijze aan het sociaal en maatschappelijk leven konden deelnemen”.
 
 
Dit moest dan kennelijk uitsluitend op De Zevende Dag omdat de Wet openstelling toe stond van Maandag tot en met Zaterdag van 05.00 
uur tot 20.00 uur. 
De Winkelwet was ook van toepassing op het coiffeurzaakje van mijn ouders. Nu heb ik nooit de indruk gehad dat ze daaronder geleden hebben want het maatschappelijk en sociaal leven, werd gewoon dagelijks gratis bezorgd binnen het schootsveld van de knip-en scheerstoel. Ook zorgde de gedistribueerde draadomroep met vier zenders, waaronder eentje helemaal uit Brussel, voor aangenaam entertainment. ’s Ochtends kon al vroeg meegezongen worden met het “Morgenrood” , geluisterd naar “Moeders wil is Wet”  en de “Arbeidsvitaminen” . Verder kon er geluisterd worden naar een hoorspel, een onderhoudende causerie van Snip en Snap of enig ander jolijt, om de dag te beëindigen met de Nationale hymne.
Het vensterraam van de salon gaf bovendien visueel genot over het 
 
stuk Cloosterstraat met zijn bomenrij langs de sloot, waar fietsers voetgangers en soms ook een auto, langzaam aan voorbijtrokken.
 
In de vroege ochtend kon je al vroeg terecht in de smis bij Piet Kint halverwege de straat.
Dat was voor boeren en buitenlui met een ”pjerd” wel gemakkelijk. Vooral in de zomer als de petetters en de terf” van het land moesten. En als je dan ook nog ”lank oar oai”, kon je gelijk even langs bij Frans de kapper.
Nu hadden mijn ouders op een zomerdag besloten om de kapsalon, die door mijn vader eerbiedig ”de kiet” werd genoemd, eens vroeg te gaan kuisen. Het nikkelwerk moest gepoetst worden, de ramen worden gezeemd en de vinylvloer in de boenwas.
 
Het is nog lang geen 06.00 uur als ze daar mee ”aan de gang” zijn.
Als  ze uit de richting ”Piet Kint”, een ”pjerd” over de kasseien van de straat horen lopen, waar die knol al voorzien is van nieuwe hoefijzers.
 
Dat ”pjerd” stopt aan de overkant van de kapsalon en de berijder bindt die met een touw vast aan een van de kastanjebomen die er staan. Op het ogenblik dat de boodschapper op zijn houten schoeisel richting de kapsalon loopt, ziet mijn moeder dat het een van die ”broave jongens” is van een boer uit de Schaperspolder. Ze ”vliegt” naar de voordeur en controleert of die op slot zit, wat het geval is. Het bezoek van de klant wordt op dit tijdstip van de dag nog niet op prijs gesteld. Ze blijft achter de voordeur staan en hoort de bezoeker op zijn houten klompen naderen. Hij pakt de klink van de voordeur vast om die te openen, wat niet lukt. Mijn moeder houdt zich stil en hoort hem vloeken: ”Godverd…… ze liggen nog op ulder nist” waarna hij met de pest in zijn lijf, afdruipt.
Door het juist gezeemd raam van de kapsalon zien mijn ouders dat het chagrijn van zijn wezen afdruipt en hij denkt: ”mijn pjerd wel, en ikke nie, milledzju”….