(19) Brandweer

De brandweer

Op Klôôster hadden ze een vrijwillige brandweer. Iemand die een beetje tijd over had en graag een brandje bluste, kon er lid van worden. Je moest alleen wel in de buurt wonen of werken van het Gemeentehuis, of de brandweerkazerne, want in die omgeving kon je het beste de loeiende sirene horen, in geval van brand of ander onheil.
De brandspuit stond gestald in een ruimte van de openbare school, ongeveer in het midden van de Cloosterstraat.
Als de sirene drie keer achter elkaar begon te loeien, en zich dit steeds herhaalde, wisten de brandweermannen ”hoe laat het was”.
Was men aan het werk, dan lieten de mannen ”de boel de boel” en spoedde men zich zo snel men kon, per fiets of rennend, naar de openbare school.
Op een dag was er een brand gemeld op Kruisdorp. De vuilnisbelt bleek in brand te staan. 
Nu weet ik dat die niet vanzelf gaat branden, en heb het sterke vermoeden dat die was aangestoken. Ik meen zelfs nu nog wel te weten door wie. Op Kruisdorp woonden namelijk een paar kandidaten, waarvan ik toen al zeker wist dat die later nooit heilig verklaard zouden worden. 
De  sirene loeide en strooide zijn onheilspellend lawijt uit over het dorp, waarna de spuitgasten zich in gezwinde spoed naar de kazerne begaven. Daar kleedde men zich snel om in het brandweertenue, waarna met de aangezwengelde Mercedes Benz spuit uitgerukt kon worden.
 uitgerukt werd  De route naar de plaats van het onheil was niet zo moeilijk. De Lepelstraat liep nog gewoon rechtdoor naar Kruisdorp, want er lag nog geen tunnel.
Aan het einde van de Lepelstraat loopt de weg licht omhoog, waarna met een bocht naar links Kruisdorp bereikt wordt.           Het was juist voor deze ”april” dat de brandweerauto kuren begon te vertonen.
De motor begon te sputteren en kwam juist op de ”april” door onbekende oorzaak tot stilstand. Na inspectie door chauffeur bleek dat de brandstof tank goed gevuld was en dat er geen sprake was van een of ander motorisch mankement.  Dit st e nallen. Dit rtonen, en  loeien,haas gebruiken kon. voor am ik voor, dat 4 jarige leeftijd plotseling overleden.e spuitwagen bleek gewoon veel te zwaar beladen te zijn. Dit kwam niet alleen door het materieel dat men aan boord had, maar vooral door al die zware spuitgasten die er mee vervoerd werden. Mannetjesputters zoals  Dees en Piet van Kerckhoven, Ro Voet, Jan Boogaert en nog een aantal gasten van dat kaliber. 
Dat de spuit van het bouwjaar 1906 was, zal er ongetwijfeld ook aan toe hebben bijgedragen dat de hindernis aan het einde van de Lepelstraat niet overwonnen kon worden.
Alle spuitgasten zijn toen uit de brandweerwagen gestapt om met  ”verenigde handkracht” de spuitauto naar de top van de Kruisdorpsedijk te duwen. Hijgend, en buiten adem kon het brandweerteam daarna hun weg naar de brandhaard voortzetten.
Tussen het moment van de brandmelding en het arriveren op de plaats van het onheil, moet zo’n 45 minuten gelegen hebben.
Ik denk niet dat men daar tegenwoordig mee zou wegkomen!
     
 
 
 
 
      
Brandweerkorps
 
 
 
           
 
 
 
Bovenste rij van links naar rechts: ( foto plm. 1954.)
 
 
 
Ro Voet, Jan Baart, Jan Boogaert, Joos Burm, Jan Menu, Nico Vereecken, Wies Pouwels en Leon Kint. 
 
 
 
Onderste rij van links naar rechts:
 
 
 
Eduard Morcus,  Piet van Kerckhoven,  Arthur Dumoleijn,  Dees van Kerckhoven  en Jo Baart.