(21) Goeie tijden

Goeie tijden
 
 
 
 
Dit verhaal wordt opgedragen alle jeugdigen die het zo moeilijk en zwaar hebben en hun toekomst nog voor zich hebben.    
 

 ”De  eerste tachtig  jaar van je leven zijn de kwaôiste menneke” zei eens een hoogbejaarde maar nog krasse Brabander, die zat te vissen aan de slootkant, tegen mij.
Hij kon het weten, want hij was al wel een jaar of negentig. Vervolgens  schoof hij zijn hengel in elkaar, sprong op zijn fiets en verdween uit het zicht.
Ik was een jaar of achttien en heb die uitspraak toen goed in mijn oren geknoopt.
We gaan een stuk terug in de tijd.
Voor mij was het niet weggelegd om door te leren. Dat kon d’n bruinen niet trekken. Er zat er al enen op de MULO in Terneuzen en d’n anderen zou naar de Ambachtschool in Hulst gaan.                                                          
Ik zou in 1953 het ambacht van letterzetter l van het creatief ruinenr het gaan uitoefenen op de drukkerij. Er zat wel een maôr aan……..De grafische opleiding werd in Roosendaal op de St. Jozefschool gegeven, die een keer per week bezocht moest worden.                                                      Maar hoe kom je daar na de watersnoodramp toen de veerhaven van Kruiningen was verwoest en er geen boot voer? En als je er al komt, hoe kom je dan weer terug thuis?

Hier de oplossing voor een manneke van 14 jaar.
Je fietst om 05.00  uur van Klooster naar Terneuzen. Met het fietsveer  van de PSD ( Prins Willem I) vaar je naar Hoedekenskerke, een vaartocht van 45 minuten. Een rammelende bus van de Automaatschappij Zeeland ( AMZ) brengt je vervolgens naar het station in Goes. Je schaft daar een kaartje 3e klasse aan waarna je kunt plaatst nemen op een houten bank van de Zeeuwse Lijn die je naar Roosendaal brengt. Vanaf het station loop je dan nog een kilometer of drie naar de Rondweg waar zich de school bevindt.                              Meestal arriveerde ik er rond een uur of negen.                                                                                
Boven de toegangsdeur van de school stond in een arduinen steen de tekst gebeiteld: ”ora et labora.”  (bid en werk) Dat eerste doe ik tegenwoordig wat minder, dat tweede nog steeds.  

Tijdens mijn fietstocht naar Terneuzen ben ik tijdens dichte mist wel eens verdwaald met mijn deurtrapper. Dat was in alle vroegte bij Boschkapelle, in de buurt van ”d’n Jèrdeneuvel.”

Na schooltijd was het vanuit  Roosendaal niet mogelijk om Klooster weer te bereiken. Daarom werd overnacht bij mijn tante in Bergen op Zoom. (van de briefkaart)                                                                  
De volgende ochtend werd de reis voortgezet met een  voor mijn moeder meegenomen Brabantse leverworst.
                                                                                   
Na thuiskomst uit Bergen op Zoom, arriveerde ik diezelfde ochtend alweer op de drukkerij waar ik vrolijk werd opgewacht .
 
Nadat de veerhaven in Kruiningen was hersteld, ging in mei1954  de ” De Willemsdorp” varen tussen Perkpolder en Kruiningen waar ik gebruik van kon maken. .Om 05.30 uur stalde ik mijn fiets bij de havenmeester  dhr. Alex Mast. De afvaart was om 05.45 uur.

Ondanks al die trubbels werd de opleiding 2 jaar gevolgd en ik  bezit hier het schoolrapport nog van met goede cijfers.                         
De opleiding aan de grafische school kon niet af gemaakt worden doordat het gezin in november 1955 verhuisde.                                                   
We gingen met z’n vieren bij een bedrijf in Waalwijk werken. Door mijn ouders werd hier meer toekomst gezien voor de kinderen.                                              
Het was door Mieke Jonkheijm, van Aloysius en Celia, dat we daar terecht kwamen. Mieke had in die tijd kennis met een monteur uit Kaatsheuvel die er bij het bedrijf werkte.
 
 
Gezegend  met een gezond lijf en een normale geest werd ik in juli 1957geschikt bevonden Hare Majesteit en daarmee mijn Vaderland te dienen.
Op 19- jarige leeftijd werd ik onder de Wapenen geroepen om mijn eervolle Vaderlandse Plicht te doen en diende mij te melden in de Tapijnkazerne te Maastricht.                                                                  
Er volgde indeling bij het Regiment Infanterie Chassé, waar men nog wel een Zeeuwse zandhaas kon gebruiken voor de duur van slechts achttien maanden.                                                                                        
Ik werd onder de Krijgstucht gesteld en uitgedost met het zinnebeeld der Krijgsmacht in de vorm van het 1e  grijs tenue waarvan het materiaal bestond uit een soort geperst paardenstront. De broek van het kennelijk gebruikte 2e grijs was hersteld in het militair atelier, want er was een nieuw kontstuk ingezet. Ook kreeg ik mijn  “hondenpenning”( identiteitplaatje) uitgereikt dat dag en nacht om je nek gedragen moest worden. Het was al voorzien van vier gaatjes indien  ik eervol voor Koningin en Vaderland zou vallen.  (…..)
 
 
Ik maakte de balans op:

Ruim vijf jaar gewerkt.
Geen enkel diploma.
Een vervoersbewijs enkele reis, van gemeentewege verstrekt namens Hare Majesteit.                                                                                                               
Een soldatenbroek aan mijn kont met een ”nieuw” zitvlak.                                                                                         Een spaarbankboekje van de Rijkspostspaarbank met hierop het kapitaal van 14 gulden en vijftien cent, inclusief de bijgeschreven rente. ”Ja, ja…….”
 
 
De tien gulden die ik per dag verdiende werd uit Vaderlandsliefde omgezet in soldij, wat voor een ongeoefend soldaat vijfenzeventig cent per dag voldoende geacht werd te zijn.
Mij zou tot twee keer toe een vuurdoop gegund worden, te ondergaan op de schietbaan te Harskamp.  Daarnaast ook nog een opleidinkje in de aantrekkelijke wintermaanden bij de beruchte groene baretten wat ook niet te versmaden viel.
Het begon er al aardig op te lijken dat de hoogbejaarde Brabander met zijn uitspraak gelijk zou gaan krijgen.                                 Ik had nog zestig jaar voor de boeg.
 
 
Hoewel slechts acht jaar educatie genoten te hebben op de         
H. Hartschool te Groenendijk kon dit zo niet langer door blijven gaan.
Tijdsomstandigheden gaven kansen om door jarenlange studies, naast  gezin en een volle baan, een serieuze stiel te beoefenen.
 
 
Maôr ’t is daôrom allemôal nie van eiges gegaôn ôôr mannekes!!
 
 
 
          Naschrift
Militaire dienstplicht (conscriptie) bestaat vanaf 1810 toen het Koninkrijk Holland ingelijfd werd bij het Franse Keizerrijk                     De opkomstplicht werd op 1 februari 1996 afgeschaft.
Tijdens mijn militaire diensttijd leefde Nederland formeel nog      ‘
in tijd van oorlog’.   
 
Er was eerst sprake van broederdienst nadat drie zonen uit één gezin, deel uitgemaakt hadden van de Krijgsmacht voor de duur van tenminste achttien maanden.(eenentwintig maanden was ook mogelijk)                                                                                          
Voor de meeste gezinnen was dit een flinke financiële strop, zoals bij ons thuis, waar met drie jongens  ”gediend” werd voor ons geliefd Vaderland.                                                        
 Door of namens het Ministerie van Defensie heeft geen enkele ouder ooit een complimentje ontvangen.
 
 
Het was je PLICHT  hè!