( 2.18 ) Kees Schelfhout en Wladek, deel 2

Kees Schelfhout en Wladek, deel 2.

Evacuatie.                                                                                                                     

Al in de zomer van 1944 beveelt SS-leider Heinrich Himmler dat geen gevangene levend in handen van de geallieerden mag komen. Medio april 1945 nadert het Russisch leger het concentratiekamp Sachsenhausen om de gevangenen te bevrijden. Door de SS wordt getracht om de sporen van de concentratiekampen te wissen om het bewijs van hun misdaden te verdoezelen. De kampadministratie wordt vernietigd en er zijn dodenmarsen georganiseerd met de bedoeling de overlevenden uit het kamp weg te krijgen. In de vroege ochtend van 21 april 1945 moet het kamp plotseling ontruimd worden.                                                                                               

Getuige, J.H. Dulfer schrijft later: 

“Het is 21 april 1945, 15.30 uur. Nu de Russen 30 kilometer vóór Oranienburg staan, worden de kampen geëvacueerd. De eerste groepen staan al aangetreden. Enkele schamele bezittingen worden bij elkaar genomen waaronder een deken. De mars gaat vele dagen duren. Er wordt per persoon 1 brood uitgedeeld. Enkelen nemen afscheid van elkaar. Zal het einde van de mars vrijheid of de dood betekenen? Een broodmagere uitgehongerde gevangene probeert een brood te stelen. Er knallen schoten. De jongen uit een schreeuw van angst en geeft het brood terug. De koudbloedige SS- er zet zijn pistool tegen zijn hoofd en drukt af. De jongen valt dood neer. Honger is een harde gesel. Groepen Belgen maken zich op voor de afmars en vervolgens de Fransen. Een groepje Nederlanders blijft achter. Ze hopen dat de Russen vannacht zo dicht bij het kamp komen dat ze niet meer weg kunnen. Er wordt gortpap uitgedeeld. Hoewel waterig, smaakt het overheerlijk want de gehele dag werd nog niets gegeten. Er zijn nog vier tot vijfhonderd Nederlanders in het kamp. Het wordt langzaam donker waarna ze in slaap soezen. Plotseling klinkt een luid commando: “Opstaan en aantreden voor de barakken!”  De SS heeft besloten om de laatste 10.000 gevangenen te evacueren. Om 22.30 uur trekt een groep van honderd man door de poort zonder brood. Dit betekent dat dagenlang gemarcheerd zal moeten worden zonder voedsel. Waarop zal dit op uitlopen? De bevrijding of de ondergang?

 

Een getuige schrijft:   ”Dr. Ir. J.A. Ringers maakte dezelfde dodenmars vanuit Sachsenhausen mee, de tocht die begon op 21 april 1945. 's Nachts werden voor de eerste maal alle mensen die niet mee konden, geëxecuteerd. Wij liepen in Fünfhundertschaften, 36 in totaal, dus 18.000 man”.                                                                                                                     

We gaan in colonnes van 500 man op weg in noordwestelijke richting, zo’n 20 tot 30 kilometer per dag. Er zijn ook vrouwen en kinderen bij. We hebben nauwelijks iets te eten gehad. Van de straatkant mag geen voedsel of drinken aangenomen worden. Het is een koude en natte dag. De colonnes worden bewaakt en begeleid door gewapende SS- beulen. Tussen de colonnes voeren de wreedaards bloedhonden en handgranaten met zich mee. Mensen die het marstempo niet kunnen bijhouden  worden meedogenloos doodgeslagen of neergeschoten.      

      

Onder de blote hemel wordt overnacht. Afgetobd bereiken we het Belowerwoud ten noorden van Wittstock-Dosse. Er wordt een groot stuk bos met prikkeldraad afgezet. Zonder verzorging of een onderkomen worden we het woud ingedreven. De locatie wordt rondom bewaakt door gewapende dubbele wachtposten. Er worden mitrailleurposten met dreigende machinegeweren opgesteld. Grimmig loert de dood die onvoorspelbaar dichtbij is. Elk moment kan er van alle kanten moorddadig toegeslagen worden. Proberen te ontsnappen is kansloos. Vrijwel zeker is onze laatste dag geteld. Er wordt nauwelijks gesproken. SS-ers die luid tegen elkaar schreeuwen doen het hart in de keel kloppen. Wordt het een massaliquidatie? De spanning houdt aan maar het verwachte bloedbad blijft uit. Om de ondraaglijke honger te stillen wordt naar wortels, kruiden, brandnetels, gras en boomschors gezocht. Verdund met slootwater en doorgeroerd wordt het op een geïmproviseerd vuurtje verhit en doorgeslikt. Na een paar dagen arriveren er vrachtauto’s van het Internationale Rode Kruis. Door vertegenwoordigers wordt er onderhandeld met de SS- leiders. Er mogen levensmiddelenpakketten verdeeld worden die niet toereikend blijken en gedeeld moeten worden. Er wordt toegestaan dat er een noodhospitaal ingericht wordt in een naburig dorpje. Van uitputting en ondervoeding sterven er achthonderd gevangenen. Zes dagen later worden we vanuit het woud verder gedreven in noordwestelijke richting. Nu en dan klinken er geweersalvo’s in de verte of dichtbij die als een holle echo terugkaatsen en weggalmen. De angst voor de kogel drijft ons verder maar hoe lang nog?  

                    

                             

       Monument dodenmars Sachsenhausen, Belowerwoud, museum Wittstock.

    Verschillende routes voeren in noordwestelijke richting.

                            

Getuige Ger Pit uit Steenwijk:  "Vanuit kamp Sachsenhausen begon op 20 of 21 april 1945 de 'dodenmars', onder bewaking van de SS en enkele daartoe geselecteerde medegevangenen. Dat heeft ongeveer twee weken geduurd. Degenen die onderweg uitvielen, werden aanvankelijk doodgeschoten, maar later, ongeveer na de zelfmoord van Hitler [30 april 1945], niet meer. Toch wilden we ook toen nog [ca. begin mei] als het maar even mogelijk was uit het transport ontsnappen, omdat we ons er onveilig voelden. Safety first, je weet maar nooit wat er kan gebeuren. Na ongeveer 14 dagen en 200 km. dodenmars ontsnapte ik met een groep van ca. 40 gevangenen, onder wie veel Hollanders”.                                                                                                 

Onderweg treffen we bij het plaatsje Crivitz een groot aantal vrouwen aan afkomstig  uit het vrouwenkamp Ravensbrück. Zij slepen zich al drie dagen voort via een andere route in dezelfde richting als wij. Uitgeput vervolgen we onze weg. Het wordt een wedloop tegen de dood. Iedereen is aan het eind van zijn krachten en de wanhoop nabij. Op ons tandvlees komen we op 2 mei1945 aan bij het Störkanaal aan de rand van het dorp Raben-Steinfeld in het Landkreis Parchim Ludwigslust. Na tweehonderd martelende kilometers komen de marscolonnes plotseling tot stilstand.  Wat is er aan de hand? 

 Niemand die er iets van begrijpt.                                                                                                       

Bevrijd.                                                                                                                       

De machtswellustelingen hebben de marscolonnes verlaten en zijn op de vlucht geslagen voor het Amerikaanse en Russische leger!  “Der Krieg ist aus!” wordt er geroepen. De oorlog is zomaar afgelopen en eindigt zonder strijd te hebben geleverd!  Czy to prawda? Is het waar? Ja, het is waar!  Aan een lange lijdensweg is een eind gekomen. We zijn bevrijd van een slopende en waanzinnig kwelling van bittere terreur, onderdrukking en geweld. De onafgebroken bloedstollende spanning van geweersalvo’s, ellende, honger, intimidaties en vertwijfeling zijn eindelijk voorbij!  Er ontstaat een nooit te vergeten bijna hysterische vreugde. Aan de kant van de weg wordt een bevrijdingsvuur ontstoken van takkenbossen waarbij gezongen en gehuild wordt. We worden overgebracht naar twee leegstaande kazernes in Schwerin. Het is nu zeven maanden geleden dat  ik weggerukt werd van mijn moeder en van mijn zusje Krystyna. Hoe zou het met hen gaan?

Schwerin, 4 mei 1945.                                                                                                     

Als aangespoeld wrakhout schuilen we in dit vrijgevochten verward niemandsland bij elkaar. In een kille omgeving kijk ik mistroostig en eenzaam om mij heen. Verbrokkeld, ontheemd, van mijn vrijheid beroofd, weggerukt, en ontvoerd. Verbannen naar een vijandig land, geïsoleerd achter een decor van prikkeldraad en hoge wrede muren. Miljoenen mensen werden vermoord of zijn gesneuveld. Mijn thuisland, onder de voet gelopen, aangevreten door het oorlogsgeweld en verminkt door bommen en granaten. Platgewalst en in het harnas van een agressor gekneveld. Warschau, mijn geboortestad, brandoffer van bruut menselijk geweld, gekleurd van het bloed en doordrenkt met bittere tranen, leeggeplunderd, vertrapt en met de grond gelijk gemaakt.

                                                                

Naar huis.

Een samenraapsel fragiele lotgenoten neemt aarzelend afscheid. Ruw gescheiden en ver van hun vertrouwde omgeving, werden de folteringen doorstaan. In hun uitgeholde ogen met een doffe blik staan de jarenlange gruwelen en de ontzetting te lezen. “Sjaloom!”  klinkt het gedempt. Bedeesd en met stille hoop gaan ze op zoek naar hun thuis. “Wie weit ist der Weg, der sie zurück in die Heimat führt?“  (Hoe ver is de weg voor hen terug naar hun thuisland?)                                                      

Mijn ogen kruisen die van Kees, mijn “baćka” uit het verdoemde kamp van honger, ziekten, vernederingen, dwangarbeid, mishandelingen en willekeurige executies. Het kamp waar geen enkel gevoel van menselijkheid bestond. Vastbesloten komt hij op mij af, legt zijn hand op mijn schouder en zegt in een allesbeslissend moment:  ”Kom Wladek, kom jongen, ga maar met mij mee naar Kloosterzande”…….                                                                                                                                                                                                            

NASCHRIFT                    

Engelandvaarder. Het is de erenaam voor alle Nederlandse mannen en vrouwen die tijdens de Tweede Wereldoorlog (1939-1945), na de capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten uit bezet gebied wisten te ontsnappen met de bedoeling zich in Engeland of ander geallieerd gebied bij de geallieerde strijdkrachten aan te sluiten om actief aan de strijd tegen de vijand deel te nemen. (Duitsland, Italië, Japan). Ruim 1700 Nederlandse Engelandvaarders waaronder 48 vrouwen, zijn na veel moeilijkheden te hebben overwonnen, in Engeland of in een ander geallieerd gebied aangekomen. Velen van hen werden onderscheiden met het Verzetsherdenkingskruis, een nationale onderscheiding die werd ingesteld bij Koninklijk Besluit op 19 december 1980. Een groot aantal mannen en vrouwen is op weg naar Engeland omgekomen of werd gearresteerd. De meesten werden naar een concentratiekamp afgevoerd. Enkelen werden gefusilleerd. Het aantal Engelandvaarders uit andere landen wordt geschat op: 30.000 uit Frankrijk,18.000 uit Denemarken, 6.000 uit België en 3 uit Italië.   

Naturalisatie Wladek. (verkort en aangepast weergegeven).                                                             Zitting 1960-1961 - 6274

Koninklijke Boodschap.

Wij bieden U hiernevens ter overweging aan een ontwerp van Wet tot naturalisatie van Wladek Kulczyk en 19 anderen. De toelichtende memorie met bijlagen die het Wetsontwerp vergezelt, bevat de gronden waarop het rust. En hiermede bevelen Wij U in Godes heilige bescherming. Soestdijk, 22 februari 1961, JULIANA.

Wij, JULIANA, BIJ DE GRATIE GODS KONINGIN DER NEDERLANDEN, PRINSES VAN ORANJE-NASSAU, ENZ. ENZ.ENZ. Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo wij in overweging genomen hebben, dat er aanleiding is tot naturalisatie van Wladek Kulczyk en 19 anderen, waartoe Ons een verzoek is gedaan, met overlegging- wat betreft de artikelen 2, 3 en 4 genoemden voor zoveel nodig - van de bewijsstukken, bedoeld in artikel 3 van de wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap. ( Stb.1892,268); Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg de Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze: Artikel 5: Kulczyk, Wladek, geboren te Warschau ( Polen) 26 juni 1928, schrijver bij het Departement van Defensie, wonende te Woensdrecht, provincie Noordbrabant.

MEMORIE VAN TOELICHTING:  “De Poolse verzoeker Wladek Kulczyk, genoemd in artikel 1, onder 5, werd in 1928 te Warschau (Polen) geboren. Op vijftienjarige leeftijd werd hij door de bezetter van zijn vaderland gevangen genomen en weggevoerd naar het concentratiekamp Sachsenhausen. In mei 1945 kwam hij door bemiddeling van een Nederlands officier die hij in genoemd kamp had leren kennen, naar ons land. Hij voelt zich hier thuis en wordt door zijn Nederlandse omgeving aanvaard. Als schrijver in dienst van het Departement van Defensie heeft verzoeker regelmatige inkomsten”.

Van het  getto in Warschau is een stuk straat met gettowoningen bewaard gebleven, de ulica Prozna. De appartementen werden na de oorlog grotendeels niet meer bewoond. De vervallen straat is erg indrukwekkend. Nadat het getto met de grond gelijk was gemaakt werd op dezelfde plek een concentratiekamp gebouwd waarvoor ook honderden Nederlanders werden ingezet.                                                                                                                                                           Indien u onderstaande link intypt of plakt op Google, kunt u hiervan het verslag lezen van 4 mei 2012 dat uitgegeven werd door De Nederlandse Publieke Omroep:

artikel/369441-het-onbekende-kamp-van-warschau.-html

Theo Colsen uit Terhole was een van de vijftien slachtoffers die buiten de bebouwde kom van de gemeente Teschendorf werden doodgeschoten in de Höhe Dorfstraβe  ter hoogte van huisnummer 42. ( zie het bovenstaand Duits krantenbericht). Nichten en neven van Theo konden in 2013 van mijn bevindingen in kennis gesteld worden.

Wordt vervolgd.

Ad Franken