Kees Schelfhout en Wladek (deel 4, slot).

Notulen vergadering 26 juli 1945.                                                                                             




Twee maanden na zijn aankomst is er door het college van B&W een reglement vastgesteld voor het Wladek Kulczykfonds. Cees Schelfhout, gemeentesecretaris Omère Verstraaten en opperwachtmeester Frans den Hooglander van de rijkspolitiepost Groenendijk - Kloosterzande vormen het bestuur. Tot zijn meerderjarigheid kan Wladek ondersteund worden in zijn materiële behoeften. De inwoners van Hontenisse aanvaarden hiermee het peetouderschap van Wladek.                                                                                                                                                                                        



Wladek volgt onderwijs op de H. Hart- jongensschool te Groenendijk, leert Nederlands en past zich goed aan. Ouderen op Groenendijk en Kloosterzande herinneren zich Wladek als een aardige welbespraakte en goedlachse jongen. Na zijn aankomst in Kloosterzande begint Wladek een zoektocht naar zijn Poolse familie en kennissen. In het zwaar gehavende en inmiddels communistische Polen met strenge censuur, gaat veel post verloren. Op 19 februari 1946 schrijft Wladek een brief aan zijn zus in Polen die haar niet bereikt. Vrienden uit Warschau laten weten dat zijn moeder Marja hem na zijn arrestatie, begin oktober 1944, is gaan zoeken. Ook heeft ze vergeefs gezocht naar zijn zusje Krystyna. Een maand later, 2 november 1944, overlijdt ze plotseling aan een hartaanval. Zijn zusje heeft in het vrouwenkamp Ravensbrück gezeten en is erg verzwakt. Enkele malen wordt ze levend vanonder het puin gehaald. Dat ze het heeft overleefd wordt als een wonder beschouwd. Ze heeft geen geld en ook geen onderdak. Ze maakt een reis naar haar tante die in Pieczyska woont. Ze vermoedt dat tante geld heeft van haar overleden moeder. Maar ze krijgt helemaal niets van haar tante en gaat teleurgesteld terug naar Warschau waar ze gaat samenwonen met een vriendin. 

Om eten te kunnen kopen verkoopt Krystyna haar jas. Ze smokkelt en verkoopt sigaretten om te kunnen overleven. Later ontvangt  ze een kleine uitkering van de gemeentelijke sociale dienst. Ze vraagt een visum aan voor Nederland maar dat wordt haar geweigerd wegens tuberculose. Wladek stuurt in 1948 vanuit Woensdrecht wat geld van zichzelf over naar zijn zus. Het is vergeefse moeite. Krystyna blijkt in 1947 al te zijn overleden. Op kosten van de Sociale Dienst werd ze begraven op het kerkhof van Bródno. (Warschau).

ZIEK.

Het is 1 mei 1948.  Wladek verlaat Groenendijk en trekt in bij zijn nieuwe pleegouders, de familie Schoonen- Pijnen wonende  te Woensdrecht. Zij wonen in de Dorpsstraat op nummer 103 tegenover de pastorie. Hier wonen ook de ouders van zijn pleegmoeder. Het gezin heeft twee zonen, Rinus en Cor. Wladek heeft zijn traumatische herinneringen uit zijn geheugen gewist. Na enkele weken wordt hij overvallen door een depressie. De verdrongen oorlog zit in zijn hoofd en de huiveringwekkende kampverschrikkingen staan opnieuw op zijn netvlies. Als in een film herbeleeft hij onmachtig alle ondervonden oorlogsellende. Zijn gedachten flitsen alle kanten op. Vader sneuvelde tijdens de Blitzkrieg van 1939. Weggerukt werd hij van zijn moeder, die haar beide kinderen gedurende vijf jaar onder moeilijke omstandigheden opvoedde. Ze was wanhopig op zoek gegaan naar hem en naar Krystyna. Onvoorstelbaar veel verdriet moet ze hebben gehad  toen ze haar kinderen in de chaos niet terugvond. Wat was de zin van haar leven nog nadat ze de band met haar gezin volledig was kwijtgeraakt? Was het wel een hartaanval  waaraan moeder overleed op het Allerzielenfeest? Heeft ze in haar radeloosheid die dag misschien zichzelf iets aangedaan?  Waarom had mijn tante niets voor Krystyna nadat ze de verre reis naar Pieczyska had gemaakt? Kan ik zelf nog wel aan een nieuwe toekomst werken? Wladek moet het allemaal verwerken en zien los te laten. Hij straalt wanhoop uit en is moeilijk te benaderen. Goede raad wordt door hem in de wind geslagen en hij  is opstandig.     

Mevrouw Schoonen laat in een brief aan secretaris Omère Verstraaten weten met welke problemen Wladek worstelt. Ook schrijft ze dat hij graag meer zakgeld wil. Op 10 augustus 1948 geeft Wladek antwoord aan secretaris Verstraaten. Wladek is nauwelijks drie jaar in Nederland en drukt zich erg goed uit in het Nederlands.

                                                                    

Nadat Wladek in Ossendrecht zijn opleiding heeft voltooid, is hij een korte tijd in dienst bij het Belastingadvies en Assurantiekantoor H. Zwagemakers gevestigd in de Korte Parkstraat in Bergen op Zoom. Daarna werkt hij zo’n twintig jaar op de vliegbasis Woensdrecht als schrijver. In de omgeving is Wladek bekend bij particulieren en kleine zelfstandigen voor wie hij aangiften voor de belastingdienst verzorgt. Hij rijdt rond in een Messerschmitt invalidenautootje, ook wel een “rijdende doodskist” genoemd.

In 1971overlijdt zijn pleegvader Jan Schoonen. Kort daarna wordt Wladek getroffen door multiple sclerose waardoor hij verlamd raakt. De verzorging van de volledig afhankelijke Wladek wordt voor zijn pleegmoeder Kate op enig moment te zwaar. In 1976 wordt hij ter verpleging opgenomen in het Algemeen Burger Gasthuis te Bergen op Zoom. Zijn pleegmoeder en haar schoondochter Toos Schoonen-de Crom brengen vrijwel dagelijks een bezoekje aan Wladek. De strijd waartegen Wladek vecht eindigt bij zijn overlijden op 23 april 1986 in het A.B.G. na er tien jaar liefdevol te zijn verpleegd.

                                   

NASCHRIFT.

In september 1945 hervat Kees Schelfhout zijn studie te Nijmegen en behaalt in1948 het doctoraal Nederlands recht. In1971 wordt hij staatssecretaris voor Onderwijs en Wetenschappen. Kees staat bekend als hoffelijk en buitengewoon deskundig. In 1981 wordt hij benoemd tot buitengewoon hoogleraar in het onderwijsrecht aan de Rijksuniversiteit in Groningen. Bij koninklijk besluit wordt hij benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau en tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Kees overlijdt op 3 maart 1983 te ’s-Gravenhage, zes dagen na zijn 65e verjaardag.

Bronnen:

Archiv Gedenkstätte und Museum Sachsenhausen, Oranienburg, Monika Liebscher.                              Leon Uris, Mila 18, Opstand Joods getto Warschau. 

Überlebenden von Kindern und Jugendlichen in den Konzentrationslagern.

Sachsenhausen, Auschwitz und Bergen-Belsen”, Verena Buser, 2011.                      

Below Museum Wittstock Frau Carmen Lange.                                                     

Christofoor 9 september 1945, Kinderen in het concentratiekamp.                                 

HET SCHOOLBESTUUR, augustus/september 1948.                                         

Interview met mr. C.E. Schelfhout, oktober 1969. ”Ook Oranienburg had een school”.                       Semistatisch Informatiebeheer Ministerie van Defensie Kerkrade.                          

Krantenbank Zeeland.nl                                                                                                   

Evaringen van politieke gevangenen tijdens hun repatriëring en na hun terugkomst in Nederland,   Dr. J.L. van der Pauw.                                                                                      

P.G. Jongeling. Wedloop met de Dood, overlevende van het kamp Sachsenhausen.

Heemkundekring " Het Zuidkwartier" Woensdrecht, annotatie “Tijding” nr. 2, 2003, jaargang 26,     Dick Adriaansen.                                                                                         

Met dank aan Jan van Elzakker Woensdrecht, Toos Schoonen- de Crom Bergen op Zoom, Frans de Vijlder Leiderdorp, Lodewijk Schelfhout Steenbergen, en Antoine Prinsen gemeentearchivaris Hulst.

Ad Franken.