( 2-5 ) verzetsleden

Maart.

Verzetsleden.

Samenvattingen  uit het boek “ Herinner U de Namen” ( Ad Franken.)

                                                                                                     Alphons Joseph Petrus Aarnoutse en Willem Voet

Fons wordt geboren op 31 mei 1920 in Sas van Gent. Hij is de kassier van het distributiekantoor, gevestigd aan het Hof te Zandeplein nummer 21 te Kloosterzande. Hij woont bij zijn moeder die weduwe is met zijn oudere broer en twee  kleine zusjes, op het adres Cloosterstraat 112 te Kloosterzande. Fons is verloofd met Margriet de Nijs.

Willem Voet wordt geboren op 27 oktober 1915 te Hontenisse en woont bij zijn ouders op het Hof te Zandeplein nummer 17 te Kloosterzande.( Sjef Voet en Irma Engels). Willem heeft twee broers. Willem werkt als boekhouder bij de boterfabriek aan de Hulsterweg. Hij is verloofd met Agnes Cammaert.

Onder druk van Willem Voet werkt Fons mee om een afdruk te maken van de kluissleutel van het distributiekantoor. Op 20 maart 1944 wordt het distributiekantoor succesvol overvallen. Op 25 mei 1944 wordt Willem voor de tweede keer door de SD gearresteerd en in een cel van het politiebureau in Terneuzen vastgezet waaruit hij eerder wegens gebrek aan bewijs, ontslagen werd. Op 29 mei 1944 wordt Fons Aarnoutse op zijn huisadres gearresteerd en eveneens in Terneuzen vastgezet. Een poging hen uit hun cel te bevrijden mislukt op 28 juni 1944.  De volgende dag worden ze allebei overgebracht naar het kamp Amersfoort. Op 11 oktober 1944  volgt deportatie naar het concentratiekamp Neuengamme, waar zij op 14 oktober aankomen.                                                                                                      

 Willem wordt tewerk gesteld in het buitenkamp Hamburg- Hammerbrook, gelegen aan de Spaldingstraβe. De enige watervoorziening is een badkuip. De waterleiding functioneert niet omdat die wegens bombardementen is vernield. Er breken snel ziektes uit. In de verwoeste stad moet puin geruimd worden en gezocht naar niet ontplofte bommen. ( zie Jos Serrarens.) Gevangenen lijden honger en zijn genoodzaakt vuilniszakken te doorzoeken naar iets eetbaars. Lijken worden verzameld in een benedenruimte van de Georgsburg, een voormalige tabaksfabriek en daarna overgebracht naar het crematorium van het hoofdkamp aan de Hausdeich te Neuengamme.

Willem overlijdt op 7 januari 1945 en wordt in eerste instantie begraven op de begraafplaats te Ohlsen. Hij wordt daarna herbegraven op de  begraafplaats te Groenendijk. Toen zijn graf in aanmerking kwam om geruimd te worden, werden zijn stoffelijke resten bijgezet op het ereveld te Loenen,  Apeldoorn.

Fons wordt na zijn aankomst te Neuengamme in veewagons naar het kamp Husing- Schwesing overgebracht, gelegen in het noorden van Duitsland. Hij wordt ingezet bij de aanleg van de Friesenwall. In het moerassig gebied wordt tien tot twaalf uur onder leiding van kapo’s gewerkt. Gevangenen staan daarbij voortdurend in het koude grondwater. Ze worden mishandeld en lijden honger. Bij het naderen van de geallieerden wordt het kamp op 19 december 1944 ontruimd, waarna Fons met alle overgebleven gevangenen terug naar het hoofdkamp Neuengamme getransporteerd wordt. Het kamp komt overvol te zitten door de toestroom van gevangenen uit de vele andere buitenkampen. Ongedierte tiert er welig en er breken ziektes uit zoals dysenterie, tuberculose en tyfus.                                                         

Op 5 maart 1945overlijdt Fons in het kamp. Zijn lichaam wordt gecremeerd.                                                                                                           

Fons Aarnoutse werd postuum onderscheiden met het Verzets- herdenkingskruis.                                                                                                     

In augustus 1950 ontving mevrouw Aarnoutse via het Rode Kruis een enveloppe, inhoudende een brillenkoker met brilmontuur, een gouden horlogekettinkje, een zegelring en een verlovingsring. De sieraden werden aan Fons geschonken door zijn verloofde, Margriet de Nijs.

Familieleden van Fons Aarnoutse en Willem Voet hebben in het boek “De overval op het Distributiekantoor te Kloosterzande 20 maart 1944” kennis genomen van de rol die Fons en Willem speelden bij de organisatie van de overval, hun aanhouding, gevangenschap, deportatie en de omstandigheden waaronder ze om het leven kwamen.                                                                                           

 

Joseph Petrus Eugène Serrarens

Jos  wordt op 1 maart 1903 geboren op Rapenburg, Stoppeldijk en is gehuwd met Maria Antonia van Hove te Koewacht. Het huwelijk bleef kinderloos.                                                                                                              

Jos is de gemeentesecretaris van Vogelwaarde en beheert de sleutels van het gemeentehuis. Op 18 april 1944 wordt er een inbraak gepleegd in het gemeentehuis waarbij de kluis wordt leeggehaald. Dezelfde dag wordt Jos verhoord waarbij hij verklaart overvallen te zijn op zijn huisadres door twee personen. ( thans Rapenburg 59) Onder bedreiging met een revolver heeft hij de sleutels van de secretarie en van de kluis afgegeven.                                                                                                    

 De  volgende dag, 19 april 1944 wordt hij door de Sicherheitsdienst gearresteerd. Door veldwachter Emile Martinet (Hengstdijk) wordt hij met de tram naar het politiebureau in Terneuzen overgebracht en in een cel vastgezet Vandaar wordt hij naar het kamp Vught getransporteerd. Hem wordt meerdere keren de gelegenheid gegeven te ontsnappen. In kamp Vught is een werkplaats waar Philips producten worden gemaakt, een vliegtuigensloperij en een lompen sorteerafdeling. In juli is Jos enkele weken ziek en  worden er röntgenfoto’s van zijn longen gemaakt.                                                                                                                           

Op 5 september, dolle dinsdag, wordt Jos met ongeveer 1.800 mannen, staande in goederenwagons afgevoerd naar het concentratiekamp Sachsenhausen welk transport na  twee dagen en nachten zijn bestemming bereikt. Op 16 oktober 1944 wordt Jos  doorgeleid naar het KZ Neuengamme. ( Zie Fons Aarnoutse en Willem Voet.) Jos wordt vervolgens naar het buitenkamp Hamburg- Hammerbrook aan de Spaldingstraβe doorgestuurd. Slaapbritsen staan tweehoog tegen en naast elkaar opgestapeld. Gevangenen worden gedwongen om over elkaar heen te kruipen. Om 04.30 uur worden ze gewekt, volgt er inspectie en een ontbijt met surrogaatkoffie. “Uitroeiing door arbeid” is er het motto van de kampleiding. Slechts 10% van de gevangenen overleeft de vernietigingsmachine. Overlevenden vertellen verhalen over ziekten, mishandelingen, vernedering, vervuiling, honger en uitputting.        

Jos overlijdt op 19 november 1944.                                                                        

Zijn stoffelijke resten rusten op het ereveld Loenen, Apeldoorn.                              

Uit het opgemaakt proces-verbaal blijkt dat Jos op geen enkele wijze betrokken was bij de overval die in vereniging werd gepleegd door Rudolph Fassaert (Lamswaarde) en zijn neef Eugène Fassaert. (Breda) Een deel van de buit werd een dag na de overval verbrand aan de voet van de graanmolen van de familie Fassaert te Lamswaarde.

                                                                         

Ir. Theodoor Clemens Mattheus Colsen

Theo wordt geboren op 11 februari 1910 en woont te Terhole op het adres Hulsterweg 149.

Na de capitulatie van Nederland vertrekt Theo met drie andere verzetsleden met een motorbootje naar Engeland om zich aan te sluiten bij de geallieerden. Door motorpech worden ze door de wind en de stroming in het Engelskanaal, naar de Franse kust gedreven waar ze gearresteerd worden. Door het Marine- Kriegsgericht wordt Theo veroordeeld tot twee jaar tuchthuisstraf welke straf hij in Münster ondergaat. Op 17 augustus 1942 wordt hij vrij gelaten. Op 6 januari 1943 wordt Theo in Sluiskil  gearresteerd door de Sicherheitsdienst en in een cel van het politiebureau te Terneuzen ingesloten. Van hieruit volgen transporten naar het kamp Amersfoort, de concentratiekampen Dachau, Striegau, Groβ- Roβen , Buchenwald en Oraniënburg. (Sachsenhausen.)                                                                                                                    

Bij het naderen van de Russen, medio april 1945, trachtten de SS sporen te wissen om hun misdaden te verhullen. Er worden dodenmarsen georganiseerd met de bedoeling overlevenden weg te krijgen uit de kampen.                                                                                      

 Een getuige schrijft op 23 juli 1946 dat Theo een ontsteking aan een van zijn benen heeft opgelopen.                                                                                                      

De dodenmarsen voeren langs verschillende routes in noord- westelijke richting, naar het Belowerwald. Het tempo ligt hoog. Gevangenen die het tempo niet kunnen bijhouden worden uit de colonne gehaald en doodgeschoten.

In de nacht van 21 op 22 april 1945 horen bewoners van de Höhe Dorfstraβe in Tesschendorf (Löwenberger Land) aan het klepperen van hun schoenen met houten zolen, dat een colonne gevangenen aan hun deur voorbij trekt. De volgende ochtend worden er vijftien lijken aan de kant van de weg gevonden. De doden worden in een bomtrechter van de weg gedumpt.                                                          

Na de bevrijding laat de burgemeester de doden opgraven. Ze worden begraven op het plaatselijk kerkhof. De identiteit van Theo Colsen kan o.a. vastgesteld worden aan de hand van zijn gevangenen    nummer 134862.                         

                                                                       

Langs de kant van de Höhe Dorfstraβe nummer 42  is een gedenkteken opgesteld. Een gedenksteen op de begraafplaats van Tesschendorf herinnert ook aan de vijftien slachtoffers.                                                                                                                             

Het Nederlands Rode Kruis schrijft op 11 oktober 1946 een brief aan mw. Verheul- Colsen, waarin het overlijden van haar broer Theo op   22 april 1945, wordt bevestigd.

Familieleden van Theo werden in 2014 in kennis gesteld van de precieze omstandigheden waaronder hun neef om het leven kwam wat hen niet bekend was.                                                                                              

 

Gerard Josephus du Bois

Gerard wordt geboren te Ossenisse op 08 januari 1919. Hij is ambtenaar van de CCD en ziet toe op het naleven van de distributiemaatregelen, die zijn uitgevaardigd door de bezetter. Door betrokken te zijn bij het verzet levert dat in zijn positie grote risico’s op. In de maand mei 1944 wordt met hem gesproken om zeven Engelse piloten die ondergedoken zitten, te vervoeren naar de omgeving van Berlicum. Kort daarna wordt Gerard gearresteerd door de SD Terneuzen. Via het Huis van Bewaring in den Bosch komt hij terecht in het kamp Vught. Op 5 en 6 september 1944 is het kamp al volledig ontruimd en worden er nog 71 mannen op de fusilladeplaats om het leven gebracht. De laatste dag dat het kamp in gebruik is, 16 september 1944, wordt hij samen met drie andere gevangenen, staande in het licht van een auto, gefusilleerd.                                      

Na ongeveer twee jaar wordt zijn graflocatie gevonden en wordt hij begraven op de begraafplaats te Ossenisse. Zijn stoffelijke resten worden later bijgezet op het ereveld te Loenen, Apeldoorn.        Gerard du Bois werd postuum onderscheiden met het Verzetsherdenkingskruis

 

Alfred Joseph Marie Verhaegen

Alfred wordt op 26 augustus 1907 geboren te Stoppeldijk. Hij is kapelaan in Hoeven NB. In de pastorie bevindt zich een clandestiene radiozender. Alfred helpt berichten verzenden bestemd voor het Bureau Inlichtingen. De radiozender wordt uitgepeild en hij wordt op 14 juli 1944 door de  Sicherheitsdienst gearresteerd. Dezelfde dag wordt hij afgevoerd naar “Das Sanatorium” in Haaren NB. Hier worden de gearresteerden verhoord. Vervolgens wordt hij overgebracht naar het nabijgelegen kamp Vught.                                                         

 Op 20 augustus schrijft Albert zijn laatste woorden :                                                                                    

”Ook ik wil graag mijn offer brengen voor den vrede.”                                                        

Op dolle dinsdag, 5 september 1944 wordt Alfred gefusilleerd op de fusilladeplaats van het kamp. Hij is een van de 71 slachtoffers die op 5 en 6 september om het leven worden gebracht. Zijn lichaam wordt gecremeerd. 

Alfred Verhaegen wordt niet herdacht bij het oorlogsmonument omdat hij zijn domicile niet in de gemeente Volgelwaarde had toen hij overleed.

Ad Franken