Slachtoffers in de strijd tegen Japan, deel 1


Inleiding                                                                                                                

De Nederlandse aanwezigheid in de Indische archipel met een eigen leger en oorlogsschepen dateert al vanaf de oprichting van de Vereenigde Oostindische Compagnie in 1602 met als doel “handhaving of uitbreiding van haar positie”.                                                                                                                

In de jaren ’20 en ’30 van de vorige eeuw, breidt Japan zijn invloed in Azië   geleidelijk uit. Op een groot deel van de Oost-Indische wateren wordt gepatrouilleerd door de Nederlandsch-Indische Vloot. De dreiging van Japan om Nederlands-Indië aan te vallen neemt na de Duitse inval op 10 mei 1940 toe. Japan is een bondgenoot van Duitsland en daarmee een belangrijke tegenstander van de geallieerden. In de ochtend van 7 december1941vallen Japanse vliegtuigen de Amerikaanse vlootbasis Pearl Harbor aan op het eiland Oaha. (Hawaii)  De Amerikanen zijn volledig verrast. Binnen enkele uren wordt de vloot voor een groot deel vernietigd waardoor de luchtsterkte ook belangrijk afneemt.  Nederland verklaart de oorlog aan Japan, gevolgd door Amerika en Engeland.       Er brandt een strijd los waarbij zes beroepsmilitairen uit Hontenisse en Vogelwaarde  het leven verliezen.

 

Emile Petrus Rademakers

Geboren op 13 juli 1920 te Hontenisse. Overleden op 25 december 1941 aan boord van de onderzeeër Hare Majesteit K XVI in de Zuid-Chinese Zee.

Emile woont bij zijn ouders aan de Hulsterweg nummer 15 te Kloosterzande. Hij is een broer van Arthur en Richard Rademakers, die respectievelijk een schildersbedrijf en een schoenherstel/zadelmakerij uitoefenden aan de Hulsterweg.

Als Duitsland in de vroege ochtend van vrijdag 10 mei 1940 Nederland aanvalt bevindt Emile zich als matroos 1e klas aan boord van Hr. Ms. SUMATRA die een dag eerder afmeert in de buitenhaven van Vlissingen. De gezagvoerder krijgt opdracht om met gedoofde lichten voor anker te gaan op de rede van Vlissingen en onder stoom te blijven.    In de nacht van 10 op 11 mei 1940 wordt om 03.15 uur de alarmtoestand afgekondigd. Voor Emile en de bemanning  betekent dit “alle hens aan dek” met een zwemvest om. Regelmatig worden er vliegtuigen waargenomen. Bij het aanbreken van de dag wordt vastgesteld dat het toestellen zijn van de Duitse Luftwaffe die onder vuur genomen worden. Om 07.00 uur wordt het even rustig. Het geeft  kapitein-luitenant-ter-zee Brouwer de gelegenheid om de “proclamatie” van Koningin Wilhelmina voor te lezen: Nederland is in oorlog met Duitsland”. Schepen moeten naar een haven van een bevriende mogendheid varen en volledige radiostilte in acht nemen. (De proclamatie was een gecodeerd telegram dat in naam van de Koningin door de regering was opgesteld.)   Dicht langs de kust van Zeeuws-Vlaanderen, wordt  door de SUMATRA opgestoomd richting Engeland. Om 19.00 uur wordt de haven van Yarmouth op het eiland Wight bereikt.

Vlucht van prinses Juliana, prins Bernhard en hun kinderen Beatrix en Irene                                                                    

Op aanraden van Koningin Wilhelmina om zich in Engeland in veiligheid te stellen,vluchten op 10 mei 1940, kroonprinses Juliana, prins Bernhard en hun beide kinderen Beatrix en Irene, vanuit paleis Soestdijk naar het paleis Noordeinde in den Haag. Ze brengen de nacht door in een kleine schuilkelder die ingericht is in de paleistuin. Een poging om de volgende dag IJmuiden te bereiken mislukt. Er bevinden zich Duitse luchtlandingstroepen (Fallschirmjäger) in de duinen van Katwijk,  de nabij gelegen vliegvelden Valkenburg, Ypenburg en Ockenburg en in Loosduinen. De opdracht van de Duitse luchtlandingstroepen is om den Haag in te nemen, Koningin Wilhelmina, de leden van de regering en van de generale staf gevangen te nemen.  Op 12 mei 1940 voeren er drie torpedojagers van de Britse marine oorlogspatrouilles uit voor de Belgische en de Nederlandse kust. Die dag slaagt het Koninklijk gezin er in om met een pantserauto van de Nederlandsche Bank, begeleid door twee vrachtwagens met mariniers, te ontsnappen en naar de haven van IJmuiden te vluchten. Tegen 21.30 uur stomen de Britse torpedojagers gezamenlijk de haven van IJmuiden binnen. HMS Codrington neemt het Koninklijk gezin en hun gevolg aan boord. De volgende dag arriveert de Condrington veilig in de Engelse veerhaven Harwich. Het gezelschap wordt aan land gebracht waarna het doorreist naar Londen.

Op 12 mei verlaat de SUMATRA het eiland Wight en zet koers in de richting van Noord-Oost Engeland. Het schip meert af op de rivier de Humber nabij de marinebasis Immingham.

Op 14 mei wordt aan de bemanning van de SUMATRA medegedeeld dat om 13.30 uur Rotterdam door Duitse bommenwerpers is gebombardeerd en de stad in brand staat. Honderden doden zijn te betreuren en duizenden mensen dakloos. Er wordt aan boord door iedereen met verslagenheid gereageerd op de capitulatie van Nederland.                                                                                                                            

Op 28 mei 1940 vertrekt de SUMATRA onverwacht uit Immingham. Het schip vaart om Schotland en bereikt via de Ierse Zee de Bay of Bristol. Vervolgens gaat het naar de rede van Milford ( Wales) waar het op 2 juni zijn anker laat vallen. Het merendeel van de bemanning wordt zeeziek door een aanhoudende zware storm op de Atlantische Oceaan.

Op 10 mei 1940, ligt op de Amsterdamse werf van de Nederlandse Scheepsbouw Maatschappij  Hr. Ms."Jacob van Heemskerck" in aanbouw. Het aandrijfsysteem is gemonteerd en getest. Een gyrokompas om te navigeren is nog niet geïnstalleerd. Er wordt een haastig besluit genomen het schip over te brengen naar Engeland om het uit handen te houden van de Duitsers.                                                                                                                                                                                                                                                          In allerijl worden uit de loodsen van de scheepswerf materialen aan boord genomen. Om 19.25 uur wordt het schip met langzaam draaiende motoren en enkele sleepboten van de kant getrokken en via het Noordzeekanaal naar de sluizen van IJmuiden gesleept. De bemanning bestaat uit vijf officieren en achtentwintig matrozen. Ongeveer zestig personen is personeel dat in Amsterdam bij de afbouw van het schip betrokken is.   Na het passeren van de sluizen waagt de gezagvoerder het er op dat het schip op eigen kracht de oversteek naar Engeland maakt. Op de Noordzee nemen twee Engelse jagers de van Heemskerck waar. Om zich te kunnen identificeren beschikt   de van Heemskerck slechts over een zaklantaarn. Met signalen wordt de eigen identiteit bekend gemaakt.     Een dag na het vertrek uit Amsterdam loopt de van Heemskerck de marinewerf van Portsmouth binnen, waar het verder afgebouwd wordt. De onderbezette bemanning  tracht het schip een zo net mogelijk aanzien te geven waarin zij slechts gedeeltelijk slaagt.              Op 13 mei valt de Grebbelinie. Die dag vlucht Koningin Wilhelmina vanuit  het paleis Noordeinde naar Londen. Haar voornemen om uit te wijken naar Zeeuws-Vlaanderen kan niet doorgaan. Duitse vliegtuigen hebben op10 mei magnetische zeemijnen afgeworpen op zowel de Ooster- als de Westerschelde.                                                                                   Op 18 mei brengt de Koningin een bezoek aan de van Heemskerck in Portsmouth. Tien dagen later, op 28 mei, krijgt de van Heemskerck opdracht om Juliana, Bernhard en hun beide kinderen, naar Canada te begeleiden.  De Nederlandse regering in Londen adviseert Prinses Juliana zich met haar kinderen in Canada in veiligheid te brengen in verband met de dreigende Duitse invasie op Engeland. De van Heemskerck vertrekt uit Portsmouth en werpt op 2 juni zijn anker uit op de rede van Milfort,Wales, waar de SUMATRA wacht.                                                                                .                                                                                                                                                                                                                            

Een aantal jonge officieren moet van de SUMATRA overstappen op de van Heemskerck.                                                                                                                                                                     De kajuit en het kajuitsdek van de SUMATRA worden ingericht voor prinses Juliana,  haar twee kinderen en het koninklijk gevolg.     Om 17.30 uur komt de prinses aan boord, gevolgd door prins Bernhard met prinses Beatrix op zijn arm en het koninklijk gevolg. Na zonsondergang licht het schip zijn ankers. Prins Bernhard, neemt op de loopplank afscheid van prinses Juliana en gaat terug naar Londen. De SUMATRA vaart onder escorte van de van Heemskerck    naar Halifax, Canada. De bemanning heeft geen weet van de bestemming maar concludeert aan de stand van de zon dat de reis niet naar Indonesië voert.  In de nacht van 7 op 8 juni worden er aan de horizon lichtkogels waargenomen. De SUMATRA gooit onmiddellijk het roer om en draait met een scherpe bocht in zuidelijke richting. De van Heemskerck volgt het voorbeeld en krijgt een golf water over het dek. Er ontstaat kortsluiting waardoor brand uitbreekt. Nadat die is geblust en iedereen van de schrik is bekomen is de SUMATRA uit het oog verloren. Na bijna twee dagen verbreekt de SUMATRA de radiostilte en geeft zijn positie door. De schepen blijken slechts 40 mijl verwijderd te zijn van elkaar. Een uur later volgt een blijde hereniging .De SUMATRA laat een boei zakken met hieraan een dicht gesoldeerd blikje dat door de bemanning van de van Heemskerck opgepikt wordt. Er zit een welkomstbriefje in namens prinses Juliana, een doosje chocola en een boekje voor de kapitein.                                                                   

Citaat uit ”de strijd van mijn vader:”                                                                                   

“Op een dag had Prinses Juliana kenbaar gemaakt dat ze de SUMATRA wilde bezichtigen. Blijkbaar was ook het tijdstip vastgesteld waarop dit zou gebeuren. Iedere opvarende in een lage rang die aan het werk was, kreeg de opdracht benedendeks te gaan. We werden opgesloten in de badruimten en de wc’s. Volgens de commandant waren wij niet representatief genoeg om de Prinses onder ogen te zien. Enige dagen later zag ik de commandant in grote haast de brug afkomen. Tijdens het lopen trok hij zijn uniformjas aan waarvan de mouwen wapperden in de wind. Even later begreep ik waarom hij zo in paniek was. Ik zag Prinses Juliana lopen, af en toe een praatje makend met matrozen die aan het werk waren. Zij had wel door dat ze enige dagen daarvoor het schip en de bemanning niet in zijn normale dagelijkse bezigheden had gezien. Zij hield op eigen initiatief een onaangekondigde rondwandeling”.

Op 11 juni wordt de haven van Halifax bereikt. De van Heemskerck vaart voorop. Prinses Juliana wenst nog een dag aan boord te blijven om afscheid te nemen van de bemanning van de SUMATRA en de van Heemskerck.   Als de prinses de volgende dag van boord gaat staat de bemanning aan dek van de beide schepen. Petten en mutsen gaan af die met een armgebaar fier omhoog geheven worden wat gepaard gaat met de kreet: “Hoezee!”  Vergezeld van enkele officieren wandelt de prinses naar het nabijgelegen perron waar zij plaats neemt op het achterbalkon van de gereedstaande trein. Als de trein zich in beweging zet rent vrijwel de gehele bemanning van boord en zwaait juichend de prinses en haar gevolg uit.

Twee dagen later verlaat de SUMATRA de haven van Halifax, om na een week de haven van Kingston, Jamaica binnen te varen.   Op 23 juni wordt CuraÇao bereikt, waar het twee weken blijft liggen en daarna         tot 7 augustus patrouilleert in de Zuid-Amerikaanse wateren. Hierna wordt de reis naar Oost-Indië voortgezet. Op16 oktober werpt het zijn anker uit in de haven van Soerabaja waar het schip buiten gebruik wordt gesteld.                              Na aankomst in Soerabaja wordt Emile overgeplaatst op de onderzeeboot  HARE MAJESTEIT K-XVI die patrouilleert in de Oost-Indische wateren.                                

Op 8 december1941 verklaart Nederland de oorlog aan Japan. Aanleiding is de verrassingsaanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor, een dag eerder.   De K-XVI met Emile aan boord, wordt naar de Zuid-Chinese Zee gedirigeerd.

Op 24 december 1941 brengt de K-XVI de Japanse torpedobootjager “SAGIRI” tot zinken waarbij 121 slachtoffers vallen. De volgende dag, 25 december vaart de       K-XVI aan de oppervlakte om de batterijen van de dieselmotoren op te laden. De onderzeeboot wordt door een Japanse onderzeeboot, de I 66, opgemerkt .Die vuurt om 11.58 uur van een afstand van ongeveer vijf kilometer een langeafstandstorpedo af die de K-XVI midscheeps treft waardoor alle 36 bemanningsleden om het leven komen.                                                                                                                              

In 1947, zes jaar later, worden de ouders van Emile in kennis gesteld van het overlijden van hun zoon.

In oktober 2011 wordt het wrak van de K-XVI op een diepte van 38 meter door sportduikers teruggevonden. Er is gevraagd het wrak ongemoeid te laten uit respect voor de bemanning. Het stuurwiel van de K-XVI wordt overgebracht naar het Marinemuseum in de Helder. Op 14 december 2011 is aan de 36- koppige bemanning de laatste eer bewezen tijdens een plechtige herdenkingsbijeenkomst in den Helder.

Op You-tube is hiervan een filmpje te bekijken.

Ad Franken