(4) De’n ond kapot

 De’n ond  kapot
 
Wij  woonden zowat aan ”d’n oek” van de Cloosterstraat, en de Hulsterweg. Het dorpsleven speelde zich voor de huisdeur af.
Vanaf de hoek aan de Hulsterweg ,waren gevestigd:  Fassaert  kruidenier, hotel/ café restaurant Maerman, de bakkerij van Wies Sarneel met Sparwinkel en lunchroom (friet van Miet), van Dommelen textiel, de foto- en manufacturenzaak van Marien de Rijk, de kapsalon van ons thuis, drukkerij en boekwinkel van Jack Duerinck, het sigarenwinkeltje van vrouw Pladet en het postkantoor.                                                                     
Schuin tegenover ons zaten er ook de timmerwerkplaatsen van zowel Ward als van Dees & Piet van Kerckhoven , die voor het nodige lawijt zorgden.
 
Op dat stukje Cloosterstraat, ontbrak het ook niet aan kameraden om op straat, in de sloot of op de ”waaij van Ko Zonne” (Neeteson) te spelen.
 
Op Groenendijk, zou ik nooit hebben willen weunen.Daar werd het zo’n saaie, stille en ook dooie boel. Letterlijk en figuurlijk.  
Met zijn dodenakker en het Lievenuis waar de religieuzen er de bejaarden verzorgden, viel er niet zoveel te beleven. De dikke sigaren rokende kapelaan Dierickx, die een priesterhoed droeg waaraan twee heraldieke kwasten bungelden, was er de rector. Hij waakte over het geestelijk welzijn van de oudjes.                                                                                                  
Die zaten bij mooi weer achter het Lievenuis op een bank waar zij uitkeken over de tuin, en de ”Calvarieberg” waar een groot kruisbeeld was opgesteld.                                                         
Passief zaten zij er hun volgende maaltijd af te wachten, maar intussen ook Pietje de Dood, die steeds in hun nabijheid verkeerde.
Dat eerste was nog te overzien, dat laatste was een kwestie van nog evekes afwachten…….. 
Er werd met die mensen niets gedaan, en ze moesten zich zelf maar een beetje zien bezig zien te houden.
Het waren ook niet de meest kapitaalkrachtige mensen die er verzorgd werden. Nee, het waren meestal eenvoudige simpele mensen die hun hele leven ”ulder kloten hadden afgedraôid” voor een paar armzalige kluiten. (stuivers) Meestal in de landbouw waar het altijd hard labeur was, met veel handarbeid. Zeker in ulderen tijd.
 
Was het zover dat ze overleden en begraven moesten worden, werd er een speciaal lievenuisklokske voor hem of haar geluid dat nogal driftig tekeer ging.  Als de mensen op Groenendijk dit klokske zo driftig hoorden klepperen, wist men dat er een arme sloeber overleden was en ”neuriede” men in gedachten met het klokske mee :
 
 ”de’n-ond-kapot”,  de’n- ond- kapot , ”de’n-ond-kapot ”- enz. enz. ! 
 
Een welgestelde die de geest gegeven had moest ook begraven worden natuurlijk. Die werd ”ter aarde besteld ” deftig gezegd.
Maar voor hen strooide de zware ”bim-bam-klok” van de                        St. Martinuskerk zijn galmen uit over Groenendijk en omstreken.Hierdoor wisten de mensen uit de omgeving dat het  ”om n’en rijken ging”.  
Zij  ”neurieden” dan in gedachten op het galmen van die “bim-bam klok” mee:
 
 "bànk-biljetten”-  ”bànk- biljetten” – ”bànk-biljetten” …..  enz. enz.
 
Ja, ja, standsverschil was er hoor!  Tot je er zeven steken diep werd ingestopt!!..............
 
Maôr t’is daôrom wel aôllemaôl al êêl lank gelêjen ôôr!!