(5) Vèrkentje ouwen

Vèrkentje  ouwen
 
 
 
     Het was nog oorlog in ’43-’44. Voedsel zoals brood, aardappelen, boter maar ook drank en sigaretten waren gerantsoeneerd.  Het was ”op de bon” zoals de mensen dat toen zeiden.
   Vooral vlees was schaars omdat dit gevorderd werd door onze vijand.
 
 
In het huis naast ons woonde Damsté. Hier woonden twee pas getrouwde koppels in. Eén stel woonde boven in het huis, en het  andere stel in het boterfabriekje van hem, waar woonruimte gecreëerd was.
De beide mannen waren collega’s van elkaar en werkten op de drukkerij van Jack Duerinck daar weer naast.
Omdat de mannen ook wel eens een stukje vlees op hun bordje wilden zien, besloten ze om clandestien een varkentje te houden.
Onder de vloer van het boterfabriekje bevond zich een kelder,waar het dier gehouden kon worden.
Dit moest natuurlijk wel stil gehouden worden voor de Duitsers. Zouden die er achter komen, dan waren ze het zeker kwijt en was alle moeite voor niets geweest.
Zo gezegd zo gedaan.
 
 
         In een geleende duwkar op twee wielen, met ’n open bakje, werd via de Lepelstraat richting de Kruispolder gelopen, om er een jonge big aan te schaffen.                    
De boer bij wie ze aankwamen had nog wel iets zitten waar hij voor een zacht prijsje vanaf wilde.  Na de koop, trokken ze trots en opgewekt gezamenlijk huiswaarts met de knorrende krulstaart in de handkar. Voor de zekerheid had men de kar eerst met planken dichtgespijkerd zodat de aankoop niet kon ontsnappen. 
 
 
Aangekomen op de plaats van bestemming, werd de krulstaart uitgeladen en in de kelder van het boterfabriekje weer in vrijheid gesteld.
Vreten deed de big goed terwijl de dagen en weken verstreken. Het beest, een mager scharminkel, bleek zijn naam eer aan te doen door onophoudelijk te brullen als een mager varken, en wilde ook maar niet groeien.                                                                                  Om niet langer het risico te lopen dat dit wel eens fout zou kunnen aflopen, werd uiteindelijk maar besloten het brullend beest te slachten. Maar nu kwam het probleem:
 
 
”Hoe maken we het varken dood?”    
 
 
Daar was tevoren nog niet goed over nagedacht.                                                Na overleg, waarbij verschillende mogelijkheden besproken werden, werd  besloten het varken van zijn leven te beroven door het met één klap zijn hersens in te slaan.
 
 
Omdat men zelf het benodigde gereedschap niet voorhanden had om deze methode toe te passen is men gezamenlijk naar de timmerwerkplaats van Ward van Kerckhoven toe gegaan die het benodigde slagers instrument beschikbaar stelde, in de vorm van een zware vuisthamer.
 
 
Terwijl een van de twee moordenaars op de rug van het varken is gaan zitten, werd door de andere slagter met het beschikbaar gestelde handgereedschap, een zodanige klap op de kop van het varken uitgedeeld, dat de dood bij het beest onmiddellijk moet zijn ingetreden.