(7) Bobbeldinges

 
 
 
Gekleed in skinny Jeans met studs of pins van Benneton en Nikes schoenen, anatomisch gevormd, luchtgeveerd,
fluorescerend en met gepolsterde schacht, lopen ze er bij. Met de klep van de cap in de nek natuurlijk.
 
Gepassioneerd twitterend, chattend, chillend en sms’send op een  smartphone met oorspeaker.
Gamend zich verpozen met een iPod. Fietsend, zittend, liggend en gapend op de bank of ander meubelstuk,
komen de beelden via een plasma display screen op hen af. Facebookend en skypend, één oog gericht
op de webcam en het andere op de i-Phone, worden de messages beantwoord met strakke smoeltjes waar de ernst van afdruipt,
een blikje Red Bull en een zak chips met een dipje binnen handbereik.
Nog vlug even de mail checken op de plee en nog een berichtje versturen. “De kat heeft gejongd” en ”
vanavond eten we kluts mee ’n broakpjer”. Bestookt met dergelijk belangwekkend geneuzel op social media is men er geestelijk  
  volledig van afhankelijk geworden. Zet een groepje
tieners met dit futuristisch mobile online gedoe bij elkaar. In plaats van overslaande puberstemmen
hoor je slechts het klikken van de van toetsjes die vaardig ingedrukt worden. Virtueel is men druk, druk.
Maar met wat eigenlijk?                                                                                    
 
 
 
Ons domein was de Cloosterstraat met zijn kastanjebomen en sloot, de waai van Ko Zonne, de kiosk op het Hof te Zandeplein,
waar druk met elkaar geravot, gespeeld en gestoeid werd.
 
Je voetbalde op de straat, een enkele auto stopte “vaneiges” De bestuurder vroeg vriendelijk om even een beetsjen op zaai te gaan,
zodat t’ij er deur kost.
 
Boomke verwisselen, schieten mee ’n klakspuit of ’n katapult, tik-gij zij t’em, knikkeren, bokske springen, overloperke, kruispoeske,
verstopperke, oepelen, en vuurke stoken, daar hielden we ons meestal mee bezig.
 
Voor de meiskes had je nog geen belangstelling. Die trokken een hinkelkot op het trottoir, speelden met ketseballen,
sprongen touwken en plukten maaiblommekes in de waai.
 
 
 
In het najaar, werden met een van onze klompen de kastanjes uit de bomen geknuppeld.
Dan kon het gebeuren dat het bakkes van je klomp brak. Dat kon gerepareerd worden met een ijzeren bandje mee pinnekes.
 
‘s Winters was het schetsen op de sloot en priksleeën.
 
En als het ging dooien was het stukske trappen. Dat ging het beste met je klompen aan.
Jack Duerinck gooide daarbij muntjes op het ijs,  die wij moesten proberen te bemachtigen.
Graag zag hij dat je helemaal door het ijs zakte, wat ook regelmatig gebeurde.
 
In het voorjaar en in de zomermaanden werden houten vlotten gebouwd waarmee op de sloot gevaren werd.
 
Een klomp met een zeilke of een plankje waren onze boten, soms met carbid, wat siste, rookte en stonk.
Aan de kikkerdril kon je zien dat de dikkoppen en de puiten er aan zaten te komen.
Die werden gevangen net als de stekelbaggers. Die vangsten werden thuis bewaard in een zinken teil of emmer met slootwater er in.
 
Zelf duikelden we ook wel eens in de sloot. Het record staat op drie, op één zaterdagmiddag, net nadat we in de kuip waren geweest.
 
 
 
Voedsel kleding en genotsmiddelen waren nog gerantsoeneerd.
Het was op de bon. Afhankelijk van de gezinsgrootte werd een aantal bonkaarten verstrekt door het distributiekantoor.
Er werden veel bonnen geruild onder elkaar om toch aan je 
spullen te kunnen komen.
 
Kinderen hoorden daar thuis over praten. Textiel,   koffie en suiker waren op de bon bijvoorbeeld.
En als er al iets te koop was moest je er vlug bij zijn omdat de voorraad beperkt was.
 
Het waren begrippen die we al vroeg onder de knie hadden.
 
 
 
Mijn broertje was op een keer autonummers gaan opschrijven,  wat ook al tot de ontspanningsmogelijkheden behoorde.
 
Hij was op een van de trappen gaan zitten van het gemeentehuis aan het Hof te Zandeplein.
 
Als dan de boot van de Perkpolder ”aan” was kon je er zomaar een stuk of tien, twaalf in je schriftje opschrijven.
Zijn oog viel op een gegeven ogenblik op de winkel van Wullaert, die er precies tegenover lag naast Hotel de Linde.
 
Wullaert was gespecialiseerd in dameslingerie, zoals  nylonkousen,vleeskleurige korsetten, ondergoed,
B.H.’s en dergelijk gerief. Hij stond op, stak de weg over, en ging op zijn gemakske eens aandachtig
voor de vitrine staan om die spullen van dichtbij te bekijken.
Daar zag hij dat de etalage vol lag met dingen waarvan hij niet precies wist wat het was en waarvoor het diende.
Dat het niet bestemd was voor zijn jongste zusje zag hij wel, waarbij hem te binnen schoot dat het misschien wel
iets voor zijn moeder kon zijn die dat allemaal goed kon gebruiken.
 
Na zijn observatie spurtte hij, zo snel als zijn beentjes hem dragen konden, als de weerlicht naar huis.
Hijgend, puffend en met volle overgave vertelde hij toen tegen zijn moeder wat hij gezien had:
 
 
”Moeke, nou hoef je niet meer te sukkelen oor!” Bij Wullaert,ligt eel d’etalage vol mee van die bobbeldinges!”