(12) Goeie Klandizie

 
 
Tot de klantenschare van de kapsalon behoorden niet alleen de boeren, burgers en buitenlui, maar ook de notabelen van het dorp.
 
 
Daarbij o.a. burgemeester van Hootegem, secretaris Verstraaten, notaris Verbist, maar ook de geestelijken van Groenendijk.
 
 
De notaris kwam wekelijks om zijn kale schedel te laten boenen. Dat gebeurde stiekem op zondag, met dichtgeschoven gordijnen, tegen dubbel tarief.
 
 
De geestelijken kwamen om een “kruintje” te laten zetten, als teken dat God op hen neergedaald was.
 
 
Ik vond het vreemd dat het tarief voor een kruintje zetten niet vermeld stond op de tarieflijst, die alleen knippen en scheren vermeldde.
Omdat ik ook nooit heb gezien dat de geestelijken voor de verrichte
 
 
werkzaamheden betaalden,vermoed ik dat mijn vader beloond werd met een of meer “aflaten”.
 
 
Die heeft hij later, toen hij op bijna 84 jarige leeftijd plotseling overleed,
 
 
hard nodig gehad want, hoewel gelovig, werd de Heer af en toe door hem wel eens luid aangeroepen als niet zijnde zijn beste Vriend, op dat moment.
 
 
Mensen troffen elkaar in de salon, en er werd verteld hoe de beeten, de petetters, de terf of het vlas er bij stond op het land.
 
 
Er werd een kaartje gelegd, een spelletje gedaan en de krant aan elkaar voorgelezen. Het was bij de kapper altijd een sociaal treffen.                                    
 
 
In de zomermaanden kwam het wel eens voor, dat ik flesjes bier moest gaan halen bij Maerman of Piet Serrarens, dat koel gehouden werd in een zinken emmer, gevuld met  koud water.
 
 
Het werd dan wel eens zo gezellig dat klanten, die ’s middags de kapsalon waren binnen gekomen ‘s avonds om 22.00 uur ongeknipt naar huis gingen, als hun vrouw hen al niet voor geweest was om ze te  halen. “Lank oar, doet geen zeer” werd er toen gezegd, waarbij beloofd werd “de kommende week” wel weer terug te komen.
 
 
Een van de leutigste klanten was Geert Streefkerk. Die lachte altijd. Om niks, en nog niet zo zachtjes ook. De “kiet” stond dan werkelijk altijd op zijn kop. Op een warme zomeravond lagen wij in bed. We hoorden de mensen praten en lachen in de kapsalon en konden de slaap niet vatten. We riepen naar beneden dat we ”groten durst” hadden en niet konden slapen. Komt Geert Streefkerk lachend met een emmer water naar boven en vroeg met een bulderende stem vriendelijk; “wie er hier zuipen moest”. Doodse stilte. Niemand dus van het halve dozijn, waarna Geert de emmer met water op de zolder liet staan en brullend van de lach, de trap weer afdaalde.
 
 
Achteraf denk ik dat hij aan een vorm van “narcolepsie” leed, waarvan ik hoop dat hij daar zelf geen notie van heeft gehad.
 
 
Sommige klanten brachten wel eens iets mee voor die jong van de kapper, en staken thuis eerst hun zakken vol mee “pjeren”, appels, een stuk spek of iets anders van ’t verken.
 
 
Het zal in ’51 geweest zijn dat we verhuisden naar het andere eind van de Cloosterstraat nr.117, waar Anna Huisman toen haar drogisterij nog had. Het was daar dat op een rustige middag dat Ed Steijns in de kappersstoel zat om zijn weelderige zwarte kuif te laten fatsoeneren.
 
 
Ed en zijn tweelingbroer Wim, leken als twee druppels water op elkaar. Ik heb mij wel eens laten vertellen dat ze zo erg op elkaar leken dat ze elkaars verkering wel eens ruilden, of dat Wim zijn broer naar zijn meid stuurde en andersom.
 
 
Die meiden zou daar dan geen erg in gehad hebben……..
 
 
Hij was op dat ogenblik de enige klant, toen er een vreemdeling de kapsalon binnen wandelde. Het bleek een reiziger te zijn die wat tijd over had, om zich van zijn overtollig haar te laten ontdoen.
 
 
Nadat Ed geknipt was, en zijn behandeling had voldaan, sprong hij op zijn fiets, waarna de vreemdeling plaats nam om geknipt te worden.
 
 
Mijn vader onderhield de reiziger, door veel tegen hem te praten, maar weinig te zeggen, wat hij normaal eigenlijk altijd deed.
 
 
Toen Ed, die een paar honderd meter verder op het Poolsplein woonde, thuis kwam zei hij tegen Wim: “Loat ouw eigen ook is gauw knippen, d’r zit er nou genen enen bij de kapper”, althans iets van die strekking.
 
 
Nu was het Wim die zijn fiets pakte om er vlug mee naar de kapper te rijden.
 
Op het moment dat Wim de kapsalon binnen stapte, ziet de vreemdeling vanuit zijn ooghoeken in de spiegel, Wim binnen komen en zegt tegen mijn vader: “Verrek, nou heb je hem daar alweer!” waarop mijn vader zei: “Ja hij is mijn beste klant, want die komt elke dag twee keer!”.
 
 
Ad Franken ( Adrie van de kapper)