(15) Pliesie





Pliesie.
 

In de jaren 1940 was het zelf scheren onder het manvolk nog niet zo ingeburgerd. Bovendien was het niet iedereen gegeven
om met zo’n groot mes je eigen stoppels te verwijderen zonder schade aan te richten.
Scheren werd ook wel eens uitbenen genoemd, en het mes ‘de valbijl’ waarmee je goed moest kunnen omgaan.
De scheermessen werden iedere week door mijn vader ‘aangezet’ op een zachte wetsteen met een paar druppeltjes olie.
Wij moesten met onze knuistjes daarvan afblijven.
Mijn moeder hielp ook wel eens met het inzepen van de klanten, die rustig achterover geleund, in de scheerstoel zaten.  
Die vaardigheid had ze onder de knie gekregen op de zaterdagochtenden.
Dan kwamen de, excuseer, dutskes uit het Lievenuis van Groenendijk op hun pantoffelkes binnen gestiefeld.
Diegenen die nog een beetje op de been waren natuurlijk, anders gingen die naar Wim Sarneel,
die tegenover het Lievenuis zat met zijn barbierswinkel. Die mannekes van het Lievenuis hadden allemaal een ‘knipkaart’,
om zich te laten schjèren. Twaalf keer voor één gulden. Het spreekt vanzelf dat dit ôpen mee geld binnen brocht.
Door toeval kon het wel eens gebeuren dat er door de week meerdere klanten gelijktijdig in de kapsalon kwamen 
die geschoren moesten worden, waarbij mijn moeder dan bijsprong.
Daarbij testte ze dan soms de algemene kennis van de klant. Ze vroeg dan bijvoorbeeld hoe Rembrandt met zijn voornaam heette. 
Ook vertelde ze van de trein die van Breda naar Vlissingen reed. Die deed er 1 uur en 20 minuten over. 
Reed die met dezelfde snelheid terug, dan deed die er maar 80 minuten over. Met de nadruk op ‘maar’.
De vraag was dan hoe dat toch kon…..Hierover moest wel eens diep gepeinsd worden.
Indien het goede antwoord niet gegeven kon worden, leidde dat natuurlijk tot enige hilariteit.
 
De scheerkunst zelf was voorbehouden aan mijn vader. Zou mijn moeder zich hier ook al mee hebben bemoeid, 
dan zou dit zeker tot bloederige taferelen hebben geleid. Nee, ze nam de klanten letterlijk en 
figuurlijk alleen maar bij de neus bij het inzepen. Niet alleen het gewone volk zal ik maar zeggen, maar ook de beter gesitueerden,
zoals ambtenaren, schoolmeesters en  pliesies.
 
Nu ga ik van mijn moeder niet zeggen dat ze een roddelaarster was. Maar ze trok er s’-avonds wel eens op uit 
om hier of daar wat te gaan kletsen. Hiervoor was haar Simplex fiets voor de dag gehaald die vijf jaar verstopt was geweest 
voor de Duitsers. Het was toen al een vooruitstrevende tweewieler. Er zat namelijk een achterlicht op met twee lampkes,
als teken van de zich maar steeds verder ontwikkelende techniek.
 
Als er een lampje defect was, kon je met een draaiknopje het andere lampje laten branden. Ook zat er al een ‘omastuur’ 
 
op dat tegenwoordig nogal populair schijnt te zijn bij de jeugd. Dat stuur was bekleed met zwart ribbeltjes materiaal. 
Wij noemden dat “hoorn”. Als je er dat afpeuterde, dan gebruikten we dat om er,
met een ‘brandglas’, een gatjen in te brannen. Dat begon dan lekker te roken en te stinken.
Nu werkte alles van haar fiets, behalve de verlichting, noch van voor noch van achter. 
Met dit voertuig reed ze in het duister naar Kruisdorp, Tasdijk, Walsoorden of naar de Lange Munt,
om er wat te gaan koméren zoals mijn vader dat kon zeggen, om in het pikkedonker daarvan terug te komen.                                                                                                                     
 
Nu was mijn moeder niet zo bang uitgevallen, en meestal ook niet op haar mondje gevallen. Nee, ze redde zich wel met haar vehikel 
in het nachtelijk donker.
 
Er werd dan wat gekletst over de dagelijkse boodschappen die nog op de bon waren en moeilijk te krijgen waren. 
Maar ook ziektes en de dooien waren nogal eens het onderwerp van gesprek. Onder het genot van een glaasje werd er soms ook een kaartje gelegd. 
Al gauw was het dan een uur of elf, half twaalf, tijd om weer terug te keren naar haar kroost.
Op een stikdonkere avond reed ze een keer van de Knapaf naar huis om via de Kruisweg en de Hulsterweg, naar de Cloosterstraat te rijden. 
Nadat ze in de Waterstraat bijna tegen een losgebroken varken was opgebotst, hoorde ze een stukje verder in het nachtelijk duister 
plotseling een zware stem die riep: “STOP!” “POLITIE !”. Door op de terugtraprem te trappen bracht ze haar rijwiel op de Hulsterweg t
ot stilstand.
 
Ha, bent u het mevrouw Franken?!” werd er door opperwachtmeester Versluis gevraagd. “Ja, dat klopt, dat ben ik, 
 
meneer Versluis” antwoordde mijn moeder. Onmiddellijk realiseerde ze zich dat de rollen nu precies omgedraaid waren omdat ze Versluis 
ook wel eens bij de neus had genomen in de scheerstoel. “U rijdt zonder licht” zei Versluis tegen haar. “Go, dat is ook toevallig”
antwoordde ze met een stalen gezicht in het donker; en vervolgde: ”daar straks deed hij het nog !”    
Versluis voelde eens met zijn hand aan de koplamp en het balhoofd van haar fiets, waarop hij zei:
“Mevrouw Franken, volgens mij zit er genen draad aan de lamp, en kan die het dus ook niet gedaan hebben!”  en vervolgens: “
loop nu maar gauw naar huis !”
Hierop had ze niets in te brengen, waarna het bevel van de diender opgevolgd werd. "Nu had de pliesie mij bijna zelf bij de neus, 
maar ik heb het er toch nog goed afgebracht,” dacht ze…