(24) Ouwen Paósen ouwen

Ouwen Paôsen ouwen.
 
 
In de tijd van het ”Rijke Roomsche Leven” zat op zondag de kerk op Groenendijk bij elke mis nog bomvol. De lui met de meeste 
centen zaten voorin. Zij hadden ulder plek tegen opbod gepacht en voorzien van een zacht kuss
 en.                                                                                                   
Hun gewijd territorium werd veilig aangeduid  en beschermd met  een geëmailleerd nummertje dat  aan de kerkbank zat vastgeschroefd . Een indringer had hier niets te zoeken   en werd gewoon weggejaagd van hun vermeend eigendom.               Links en rechts van het middenschip  zat het klootjesvolen op wiebelende, bekraste banken, die ”de tram” werd genoemd.                                                                                                                    
Het tarief voor een zitplaats in de tram bedroeg twee cent. Fons de Waal, koster, haalde het plaatsengeld op. Hij telde het aantal  kerkgangers in de tram. Na een goedkeurende blik liet hij daarna  de hem toegeschoven kerkcentjes in een van zijn grote zakken van zijn bonker glijden.
Ontbrak er een kerkcentje dan werd dat door Fons stillekes in pantomime gebaren aan het tramvolk medegedeeld .               De mannenbroeders  zaten met de jongens rechts van het midden,het vrouwvolk en de meisjes links in de kerk.
Zij waren allemaal kuis gehoofddekseld, veelal met een kopdoekske om hun aanzien niet volledig bloot geven.                                                                                                  
Dat moest zo. De bevelen uit Rome waren heilig en werden door de kerkgangers berustend aanvaard.                             Vanaf de kansel werd gedicteerd wat ”Goed” en wat ”Slecht” was. De predikant gebruikte daarbij soms zijn gebalde vuist om   hetgeen hij predikte, kracht bij te zetten.
Je moest je zondagsplicht onderhouden. Je moest je vader en je moeder eren. Je moest naastenliefde tonen enzovoort.    
Vanaf het preekgestoelte werd er in de zomermaanden aan de boeren dispensatie verleend om op zondag de oogst te mogen binnen halen.                                                                                
Verrichtte een gelovige op zondag meer dan twee uur zwaar werk, dan was sprake van slafelijke arbeid. Dat was een grote zonde. Minder dan twee uur werken was wel toegestaan en konden ze je niets maken. Je moest ook zoveel mogelijk kinderen ter wereld zien te  brengen waaraan veel echtelieden braaf gehoorzaamden.       
In de Cloosterstraat was Fons van Kruijssen de grote winnaar met vijftien kinderen waarvan er drie vroegtijdig  zijn overleden.
 
In de week vóór Pasen, de Goede week, werd iedere gelovige verboden om op Goede Vrijdag vlees te eten en zijn zonden te gaan biechten die door hem of haar waren bedreven om daarna ”ouwen Paôsen te keunen ouwen”.                                   Op dat te biechten gaan rustte een beladen en moeilijk te omschrijven sfeer. Zowel de kleine als de grote zonden moesten beleden worden. Niemand die dat gjèrn deed natuurlijk.                                             
Je moest ”in staat van Genade zijn”, voordat je uitgenodigd werd om aan te mogen schuiven aan de Heilige Tafel om de Communie te ontvangen  op 1e Paasdag.                                                       
Die kleine zonden biechten, dat ging nog wel. Maar die grote!  Die van de Tien Geboden!  Dat waren allemaal doodzondes en dat zou   als je dood ging heel vervelende consequenties kunnen hebben, als je die niet biechtte. Neem nu het voorbeeld dat je een touw gestolen had met daaraan een koei vastgebonden. Dat is diefstal, en dus een doodzonde. Als je dat zou opbiechten, dan kon je het touw nog wel terug geven, maar die koei meestal niet meer.                                                   
Dat was dus een groot dilemma.  ”Za’k  ‘t wél, of za’k nie?”…….. Maar van de andere kant, als je er vanaf kon komen met een Onze Vader en een paar Weesgegroetjes……                                                                                     
En dat was met meer van die soort dingen het geval.                  
Nu was het wel donker in die muffe en naar angstzweet stinkende biechtstoel  met half dichtgeschoven gordijntjes, maar toch…        
En je dacht ook: ”dâ‘s ou toch nie zaôgen”. Mispoes ôôr!  
 
Dat ondervond een keer organist-zanger Fons Totté, met zijn weelderige witte haardos. Fons ging altijd te biechten bij Deken de Meulemeester. Die was al niet zo jong meer, begost al wat te zêveren, en was ook een beetje doof wat natuurlijk zo zijn voordelen had.                                                                   
Nadat Fons geknield in het kerkmeubel zijn zonden had beleden, boog de Deken zich naar het met fijn vliegengaas bespannen schuifken, gaf hem namens de Heer kwijtschelding van wat hij had mispeuterd en fluisterde, kennelijk in een helder moment:
                                          
”Fons, als ik morgen klaar ben met die trouwerij wil jij dan nog evekes  een paar potten van die schone chrysanten in de        pastorie zetten? ”  
                                                                                                                  
Hierop werd door de organist in de duistere omgeving van het  meubelstuk niet gerekend, en schrok zich zowat het leplazerus!
                                                                                                          
Die biechtvaders zorgden ècht wel da’s ou konden zien in dat donker kotje ôôr!
Ik kan u verzekeren dat dit overal het geval was. Het levend bewijs is mijn echtgenote, die hier naast mij zit.
Zij ging dan wel niet op Groenendijk te biechten maar heeft hetzelfde mee gemaakt wat mijn vermoeden alleen maar versterkt da z’ou zaôgen in den biechtstoel.
 
Lang geleden, ze was nog maar acht jaar, moest ze ook al haar kinderzondekes gaan biechten. Iedere maand nog wel. Toen ze op een keer al haar zondekes had opgepreveld, ontving ze van de vervanger Gods, die alles wist en vooral ook alles zag, als penitentie de opdracht om voor haar zieke tante een chocoladebol te gaan halen bij de bakker…                                                            
                                                                                           
Affijn, na de spannende en onaangename biechtklus kon dan eindelijk op zijn Paasbest, het feest der Verrijzenis gevierd worden.                       
Die beladen en angstige sfeer die er om het ”te biechten” hing, maakte dat het zolang mogelijk werd uitgesteld, hetgeen bij Fons van Kruijssen op een gegeven ogenblik de uitspraak ontlokte:
 
” K’zijn ’t êêle  jaôr nie bang ôôr, allênig mêê Paôsen ’n klein bêêtsjen!”………..