(25) Bjéren

 

Voor mijn vader die beter kost coifferen as bjèren.
 
 
 
 
Als je tegenwoordig de krant open slaat is het meestal niet zo fris wat men te melden heeft. Bakken ellende worden over je heen gestort. Dat zal vroeger wel niet anders zijn gewist, maar toen ik de beginselen van de leeskunst juist onder de knie had zal mij dat nog niet zo zijn opgevallen.
 
”Dagblad de Stem” die in de kapsalon werd gelezen, kende vroeger een rubriekske, waarin korte nieuwsberichtjes vermeld werden zoals een koei in de sloot geraakt, een hooiberg in de brand, een pjèrd op‘ol, een vechtpartijken, openbare dronkenschap, uitgeglejen over een bananenschil en meer van zulk belangwekkend nieuws.
In augustus1947 stond er iets in te lezen waarvan ik de tekst letterlijk zal weergeven, want zo iets leesde tegenwoordig nooit niemer:
“Dhr. F.F. herenkapper, te Kloosterzande, werd door de Kantonrechter in Terneuzen, veroordeeld tot een geldboete van zes gulden, of een vervangende hechtenis van één dag wegens het illegaal lozen van faecaliën.
Zijn volledige naam en adres hadden ze er trouwens gewoon bij  kunnen zetten, want iedereen wist natuurlijk wel dat dhr. F.F. Frans Franken was, kapper op Klôôster die ze ook wel wisten te weunen.
De betekenis van het niet alledaagse woord faecaliën moest  toch evekes opgezocht worden in het “Verklarend Zakwoordenboekje van Van Dale” dat binnen handbereik lag.
Toen het moeilijk woord gevonden was, bleek het gewoon stront te zijn wat al werd vermoed en ook helemaal in overeenstemming was met wat er plaats gevonden had.
Hier de uitleg van deze welriekende en smeuïge geschiedenis.
 
Achter in de’n of stond er bij ons een plonsplee. De houten deur toonde een uitgezaagd hartje als teken dat je “het” er met liefde naar toe bracht, vooral als het een beetje nip zat. Op de met schrale groene verf bewerkte toegangsdeur scheen altijd uitbundig de zon die er grote blaozen op trok. Een verweerd bescheiden ingsel behoedde de deur dat die kost open waaien. Bij in gebruik name moest de deur aan de binnenkant vast gezet worden met een roestig haakje aan een oogje.       
Als je dat in je haast vergat kon het gebeuren dat er tussen een  verse pleeganger en de zittende gebruiker van de poepdoos  een enigszins benauwende communicatie ontstond over de bezetting hiervan.
Het interieur oogde eenvoudig. Het zitgedeelte bestond uit een houten plank met hierin een rond gat en een pleedeksel er op. De fysieke spanwijdte van het deksel en het gat bedroeg ongeveer 30 centimeter. Op het deksel zat een handgreep die zowel voor een links- als een rechtshandige gemakkelijk te bedienen was om die te kunnen verleggen vóór en na de boodschap. In de wit gekalkte muur zat een roestige spijker. Aan een touwken bungelden op maat gesneden kranten- vellekes die als toiletpapier dienst deden. Een eenvoudig stuksken zeil sierde het houten vloerke van het schijthuis.
Iedereen maakte gebruik van die nuttige voorziening. Niet 
alleen het achtpersoons gezin maar ook de klandizie van de kapsalon en de commiezen van de douane die er een voorkamer van het huis huurden .
In de winterdag, als het donker was, werd de lokaliteit bezocht met een stallantjèrn. De plee was dan net leeg geschept en kost het nogal “trekken” aan je gat. Bovendien kon het er steenkoud zijn. Voor de leut moest je er dan niet zijn.
 
Door veelvuldig bezoek aan de accommodatie, kon het
gebeuren dat die plee midden in de zomer van 1947, vol was geraakt. Dat voelde je omdat het op een gegeven ogenblik  begon te spêten tegen ou gat. Je kon het ook zien aan de vette strontmaôien die op de grond langs de buitenmuur kropen.
Maar wat moet je doen als die bjèrput ardstikken vol zit in         t’ artje van de zomer? En dan nog zo’nen langen wèrmen ook….
 
Affijn, met opgestroopte mouwen en frisse tegenzin ging mijn vader aan de slag met een bjèrlepel, geleend van timmerman Ward van Kerckhoven en een paar zinken êmers om de pleeput uit te scheppen. Zich van geen kwaad bewust zijnde, mieterde hij de inhoud van de volle êmers gewoon in het afvoerputje achter het huis, in plek van in de sterfput om daar die bucht te laten bezinken.
Juist toen hij daar mee aan de gang was, stapte veldwachter Floor van de Vijver, die naast het gemeentehuis woonde, in uniform op zijn dienstfiets om zijn rondeke te gaan doen over Klôôster en Groenendijk.
Hij  ging rechts af richting Tasdijk, om via Hoek en Bosch, de Zoutedijk en het Poolsplein de Cloosterstraat in    
te draaien. Halverwege de Cloosterstraat begost zijn reukorgaan te prikkelen, en rook hij een nogal penetrante geur.   
Hij fietste een stukske door tot de moorsloot die tussen ”Het Witte Huis” en het ”Laantje” ligt.( Willem de Zwijgerlaan.)  Hij stapte van zijn fiets, keek naar de riolering die daar uitmondde, en zag dat er bruine smurrie uitkwam. e Tasdijk, om via Hoek en Bosch en de Zoutendijk, bij het Poolsplein de Cloosterstraat in te draaiHet was hem nu wel duidelijk wat het precies was en waar hij de verdachte kon vinden.
Die werd door bromsnor dan ook in een oogwenk opgespoord.
Er hoefde niet uitgelegd te worden waar mijn vader mee bezig was en dat dit ook niet was toegestaan.  Kortom, mijn vader kreeg een proces-verbaal van de veldwachter.
Na enkele weken werd van Justitie een bevel ontvangen dat   hij in persoon moest verschijnen op het Kantongerecht in Terneuzen in verband met de vermeende overtreding.                                                                                               Mijn vader dus met zijn fiets, over de Zeedijk naar het Kantongerecht alwaar de rechtspleging zou plaats vinden.     Het bleek nog een beetje zoeken, maar hij had het uiteindelijk dan toch gevonnen.
In de wachtkamer zaten nog meer daders van het kaliber van mijn vader die verdacht werden van een strafbaar feit waaronder een struise vrouw uit Zaamslag. Ten overstaan van alle andere opgeroepen verdachten vertelde ze omstandig, dat ze:
 
“een bon oai g’at omdat ze s’aoves mee eur fiets oai gerejen  zonder achterlicht”.
 En dat was vaneige’s geen werk gewist, van die pliesie. Ze zee dat ze tien kinderen aoi, en da’sèt allemaôl wel eens tegen de rechter zou zeggen, wat ze ook deed.
 
 ”Oh, ja?” zei de rechter: “Heeft u tien kinderen?” ”Dan betaal maar tien gulden, u kunt dáár, wijzend naar een hoek in de rechtszaal, afrekenen!”  ”Volgende zaak a.u.b.!”
 
Nu was het de beurt aan mijn vader om voor het verdachten   
hekje te gaan staan. Door de magistraat werd de dagvaarding van het strafbaar feit, waar een luchtje aan zat voorgelezen, en vroeg of de feiten klopten.
Toen dat het geval bleek, vroeg de rechter aan de verdachte:
“Hoeveel kinderen heeft u?”                                                                                                                    Hierop luidde het antwoord van mijn vader, geheel in overeenstemming met de waarheid:
 “zes Edelachtbare” waarop de rechter antwoordde:  
 
“Betaalt u dan maar zes gulden, u kunt dáár, wijzend naar de hoek van de rechtszaal, afrekenen, volgende zaak a.u.b.!”
 
Na de geldboete te hebben voldaan, werd over de Zeedijk weer naar huis gefietst, waarbij hij steeds moest denken aan die vrouw met haar tien kinderen, en dacht:                       
 
”Als ik er nou ook eens tien had gehad, net als die vrouw uit Zaamslag, of maar énen, hoeveel zou dan het tarief zijn geweest?”